We hebben natuurlijk ook een privé-leven

Raf en Mich Walschaerts, samen het cabaretduo Kommil Foo, zijn broers, vrienden en collega´s. “We hebben natuurlijk ook een privé-leven.”

Als kind gingen ze niet zo veel met elkaar om. Raf is bijna vijf jaar ouder dan Mich: in kindertijd is dat een eeuwigheid. Het enige wat ze samen deden, was liedjes zingen in de auto, met hun vader. “In fonetisch Engels”, zegt Raf. “ Went to a party in the county jail , maar dan in nietszeggende klanken. Wisten wij veel waar dat nummer over ging. Onze vader trouwens ook niet.”

De broertjes Walschaerts zijn opgegroeid in een warm nest, met een jongere zus, die tien jaar jonger is dan Raf, en vooral heel idealistische ouders. Het was geen toeval dat vader Walschaerts tijdens de Nekka-nacht van 2004 het strijdlied Oorlogsgeleerde van Wannes Van de Velde kwam zingen, voor een vol Sportpaleis.

Mich: “Ik vond het ongelooflijk straf hoe hij daar stond, de armen in de hoogte. En de keuze van het nummer was natuurlijk veelzeggend. Onze ouders zijn in hun idealisme nog heel onbezoedeld. Cynisme is hun vreemd.”

Raf: “Ook wij proberen niet-cynisch cabaret te maken. Cynisme is bijna altijd de makkelijkste weg, en die willen wij niet bewandelen. In dat opzicht zijn we zeker gevormd door onze ouders.”

Mich: “Dat wij meedoen aan de 0110-concerten tegen onverdraagzaamheid is voor ons heel vanzelfsprekend. Ik begrijp de opschudding daarover niet.”

Raf begon op zijn veertiende muziek te spelen in een bandje. Toen Mich jaren later voor het eerst meeging naar de repetities van de groepjes waar Raf bij speelde, bleek dat de jongere broer niet slecht zong. Mich had het virus meteen te pakken.

Raf: “Maar op dat moment dacht geen haar op ons hoofd eraan om daar later ons brood mee te verdienen.”

Mich: “Anders was ik wel naar Studio Herman Teirlinck gegaan.”

Raf wilde op kot in Gent en ging daar psychologie studeren. Toen hij afstudeerde, had Mich net een jaartje ´fysiek bewegingstheater´ achter de rug aan een Antwerpse privé-school. Hij begon aan zijn burgerdienst.

Mich: “In die periode hebben we besloten om samen iets te proberen. We gaven onszelf vijf jaar. We wisten gauw dat dit ons ding was, dat het ons zou lukken. Niet dat het allemaal vanzelf ging, maar we voelden wel dat we iets bijzonders deden.”

Het recept van Kommil Foo is sindsdien nauwelijks veranderd: een afgewogen mix van liedjes en sketches.

Raf: “Dat klinkt triviaal, maar het is wel wat wij doen. De muziek en de teksten schrijven we trouwens altijd samen. We hebben allebei weleens een idee, een zin of een melodie, maar daar zullen we zelden of nooit alleen aan zitten schaven.”

Mich: “Veel materiaal ontstaat op het podium. Wij doen meestal een vijftigtal try-outs, precies omdat we de productie willen creëren voor een publiek. Dan zien we meteen: in dat gaatje kunnen we springen, daar kunnen we een scène van maken, dat slaat helemaal niet aan”

Raf: “Soms hebben we twee zinnen en beseffen we plots dat daar misschien een sketch van zeven minuten in zit.”

Mich: “Zo werken we nu al twaalf, dertien jaar. Sinds we in Nederland spelen, eigenlijk. De meeste grote zalen hebben daar een kleine clubzaal, en in die zaaltjes doen wij tot vandaag onze try-outs. Honderd, honderdvijftig toeschouwers, niet meer. In Vlaanderen vind je zulke zaaltjes niet.”

Raf: “Try-outs kun je ook beter niet doen met vrienden of familieleden in de zaal. Dan neem je toch net iets minder risico. We hebben echt wel vijftig voorstellingen nodig om onze producties op niveau te brengen, om alles te proberen en alles te doen. En om tegelijk het publiek te observeren. En jezelf. Onze echte top bereiken we trouwens pas na honderdvijftig voorstellingen.”

Het basismateriaal schrijven de broers bij elkaar op het Griekse eilandje Antiparos, waar ze zich voor elke nieuwe voorstelling een maand terugtrekken. Hoewel we ons daar ook weer niet te veel van moeten voorstellen, toch niet kwantitatief.

Mich: “Als we terugkeren uit Griekenland hebben we meestal een stuk of zeven, acht liedjes op papier.”

Raf: “Aan één liedje werken we gemiddeld zes dagen, met z´n tweeën. Ik weet het: wij zijn heel trage werkers.”

Mich: “Maar wel gedisciplineerd: elke dag rond elf uur beginnen, tot een uur of zes.”

Toch heeft het gros van het Griekse basismateriaal voor Spaak , de jongste, felbejubelde voorstelling van Kommil Foo, de definitieve uitvoering niet gehaald.

Mich: “We hadden een heel ander verhaal in gedachten, over wielrennen, in een vrij spectaculair decor. We hebben dat materiaal een tiental keer gerepeteerd in de Gentse Arca-schouwburg, maar het werkte niet. Alles weggegooid en opnieuw begonnen.”

Raf: “Griekenland is echt het begin. Een maand Antiparos en dan drie maanden thuis. En dan een maand repeteren. En dan nog vijftig try-outs. Het zware werk gebeurt op het podium.”

Samen in afzondering, samen thuis werken, samen op het podium: doen er zich weleens artistieke meningsverschillen voor tussen de broers?

Raf: “Een duo kan werken vanuit een conflictmodel of vanuit de perfecte harmonie. Wij zijn een voorbeeld van het tweede, omdat we als broers dezelfde achtergrond delen en opgegroeid zijn met dezelfde muziek: Elvis Presley, Ray Charles, Herman Van Veen En wat essentieel is: je moet een idee kunnen weggooien. Ik ben er weleens van overtuigd dat ik een briljant idee heb, maar als Mich het niks vindt, laat ik het gewoon vallen.”

Mich: “Wij hebben er geen enkel probleem mee om toegevingen te doen aan elkaar.”

Raf: “Alleen aan elkaar. Onze regisseurs zullen we niet zo snel volgen in hun oordeel.”

Ook de vrouwen kunnen de artistieke chemie niet verstoren.

Raf: “Wij zijn voorzichtig met vrouwen, maar we hebben natuurlijk ook een privé-leven. Na ons werk, hier in België meestal van halftien tot halfvijf, gaan wij gewoon naar huis. Onze baan is heel plezierig, maar wat de werkuren betreft, verschillen wij niet zoveel van de meeste mensen. Tijdens de productiefase, althans. In het seizoen houden we er natuurlijk een ander ritme op na.”

Mich: “Ik beschouw wat wij doen echt als een métier, iets wat je graag doet en waar je almaar beter in wordt.”

Raf: “Eigenlijk doen wij ook aan sport, vind ik. Hoe beter je wordt, hoe fijner om te spelen.”

Eén van de allereerste liedjes die Kommil Foo ooit op een podium bracht, was Ik drink . Putten ze weleens inspiratie uit de drank, zoals ook andere songs en sketches laten vermoeden?

Mich: “Theater is het toppunt van concentratie en dus het tegendeel van roes. Eerst een stuk opvoeren en daarna een Duvel, dat is het summum.”

Raf: “Ik drink al een paar jaar niets meer voor een voorstelling, zelfs geen glaasje wijn.”

Mich: “Maar achteraf hangen we natuurlijk dikwijls samen aan de toog.”

Raf: “We hebben elk een eigen vriendenkring, maar wij kennen elkaars vrienden. We zijn dus bijna altijd samen. Dat is toch mooi meegenomen in het leven, dat je goed met elkaar overweg kunt en altijd samen optrekt? Daarvoor hoef je niet eens broers te zijn.”

Mich: “ Dat weet ik niet, Raf.”

Raf: “Ik ook niet!”

Ze barsten allebei in lachen uit. Twee handen op één buik.

Mich: “Wij verschillen wel sterk van elkaar, zowel wat onze persoonlijkheid betreft als in wat we doen en kunnen op het podium. Kommil Foo is eigenlijk het enige raakvlak tussen ons. Dat is wat ons bindt. We beschouwen elkaar ook absoluut als gelijken. Als een van ons het gevoel zou krijgen dat de andere domineert, is het evenwicht zoek. Zonder dat evenwicht zou het niet lukken.”

Raf: “Meestal weten we ook allebei of een voorstelling goed zit of niet.”

Mich: “We zijn sowieso zelden helemaal tevreden. Spaak hebben we ongeveer tweehonderd keer gespeeld en ik schat dat we er acht keer pal op zaten.”

Raf: “Dan kom je van het podium en zeg je tegen elkaar: ´Zo moet de voorstelling zijn. Zo zouden we altijd moeten spelen.´ De volgende dag lukt dat dan meestal niet opnieuw, maar je kunt er zelden of nooit de vinger op leggen waar dat aan ligt. De wisselwerking met het publiek is in elk geval heel belangrijk.”

Gaat Kommil Foo voor zijn try-outs misschien daarom liever naar Nederland, waar je bijna per definitie een staande ovatie krijgt in de theaters?

Raf: “Dat gaat daar inderdaad zo, en dat vinden wij in België heel raar. Maar je kunt op verschillende manieren applaudisseren. Dat opstaan op zich betekent niets. Als het publiek echt enthousiast is, dan voel je dat gewoon. En als ze het slecht vinden, wat tijdens de try-outs weleens gebeurt, laten ze het ook zien.”

Slecht, dat betekent dan niet grappig of niet pakkend, want dat zijn de emotionele ingrediënten van wat Kommil Foo brengt.

Mich: “In het begin zitten er altijd te veel tranen in. Spaak was een heel sombere productie toen we eraan begonnen. Het publiek zat er bijna verslagen bij. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn.”

Zijn de broers van nature dan toch een stuk somberder dan ze zich voordoen op het podium?

Raf: “We zijn zeker geen sombere mensen, maar het is wel interessanter om over sombere dingen te schrijven.”

Mich: “Humor is anders ook heel interessant.”

Raf: “Maar om een avondvullende voorstelling te maken alleen maar om te lachen, daarvoor moet je toch van heel goeden huize komen. Ik trap misschien een open deur in, maar ik vond Wim Helsen briljant in Bij mij zijt ge veilig . Hoewel dat voor de rest maar weinig te maken heeft met wat wij doen. Wij zijn geen comedians. En Wim Helsen wil de mensen op zich niet ontroeren, hoewel hij mij wel ontroerde met zijn vakmanschap. Toon Hermans kon dat indertijd ook: ik huilde niet om zijn grappen maar om zijn virtuositeit.”

Mich: “Wij denken heel lang na over ons verhaal. Dat is iets helemaal anders dan stand-up comedy. Wij verzinnen geen grappen, dat kunnen we zelfs niet goed. We maken een soort situatiehumor, gebaseerd op een goed gestructureerd verhaal.”

Raf: “Ik hou er niet van dat wij nu soms ingedeeld worden in de categorie comedy.”

Mich: “Ach, in Nederland noemen ze ons cabaretiers, terwijl ik me ook met hen niet verwant voel.”

Raf: “We hebben nu wel pas een belangrijke cabaretprijs gewonnen in Nederland. Cabaret komt hoe dan ook meer in de buurt dan muziektheater. Schrijf nooit dat wij muziektheater maken!”

Af en toe zijn de broers niet als duo aan het werk. Raf regisseert om de twee jaar een kindervoorstelling als directeur van het door hem mee opgerichte productiehuis 4Hoog, Mich was al een paar keer te zien als acteur in ´gewone´ theaterstukken. En dat dus allemaal boven op die 250 voorstellingen per jaar met Kommil Foo.

Raf: “Het verbaast me altijd dat mensen vinden dat wij zo druk bezig zijn. Dat is toch precies de grote rijkdom van het leven?”

Mich: “Wij spelen nu tot 6 augustus, en de volgende voorstelling is half november. Dat valt dus wel mee.”

Raf: “Nu kunnen we het ons al permitteren om een paar maanden te stoppen.”

Veel verder dan dat willen de broers ook niet kijken.

Mich: “Wij denken nooit verder dan de volgende show.”

Raf: “Over wat we binnen twintig jaar willen doen, praten we nooit. Het enige wat ik weet, is dat we momenteel allebei onvervangbaar zijn als lid van Kommil Foo, en dat wij iets doen wat we beter kunnen dan de meeste anderen in ons vak.”

Mich: “Als we al ooit zouden stoppen, dan denk ik dat we later, als we zestig of zeventig zijn, zeker nog eens samen zullen optreden.”

Raf: “Het is als een relatie met een vrouw: je kunt nooit voor honderd procent zeker zijn van de uitkomst.”

Mich: “Wij hebben samen een schat opgebouwd en als we die over veertig jaar nog eens zouden aanspreken, zou het volgens mij onmiddellijk opnieuw klikken.”

Raf: “Over veertig jaar, Mich? Dan ben ik er bijna tachtig. Ik weet niet of wij tegen dan nog iets te vertellen zullen hebben.”

Mich: “Maar we zullen het in elk geval samen doen.”

Door Karel Michiels, foto Johan Jacobs

Publicatiedatum: 
zaterdag 22 juli 2006
Verschenen in: 
De Standaard
Productie: