Reportage Persoonlijk Antwerpen

Persoonlijk Antwerpen

 

Wekelijks wandelen we met een bekende Antwerpenaar langs plekken in de stad die voor hem of haar een bijzondere betekenis hebben.

 

Kommil Foo

Beroep: cabaretiers

Woonplaats: Gent

 

In Breken, de nieuwste voorstelling van Kommil Foo, vragen cabaretbroers Raf en Mich Walschaerts zich af hoe je een man in een stekkendoosje krijgt. Het antwoord is even donker als komisch. Net als het antwoord op de vraag hoe je twee artiesten die al meer dan dertig jaar in Gent wonen weer naar Antwerpen krijgt. “Nostalgie. Ik ben ooit uit de Arenberg gegooid door Jan Decleir. Volkomen terecht overigens.”

 

Tekst: Greg Van Roosbroeck

Foto’s: Frederik Beyens

 

Slechts een overeenkomst hebben Raf en Mich Walschaerts wanneer ze net als in hun kinderjaren opnieuw door Antwerpen lopen: ze dragen beiden een lange winterjas. Voor het overige zijn de twee broers uit Essen complementaire tegenstellingen. Mich (43) is kaal, besnord en eerder gesloten. Bovendien relativeert hij elk optreden dood. Raf (47) heeft geen snor, maar wel nog alle hoofdhaar. Hij is eerder extravert en vlugger emotioneel na een voorstelling. Maar dat is dan achteraf, want voor de show is van stress bij het duo geen sprake. Binnen enkele uren beginnen de Walschaerts in de Arenberg nochtans aan een opvoering van Breken, het zeventiende werk al uit hun oeuvre. “Waarom zouden we nog nerveus zijn?”, kaatst Mich de vraag terug. “Ondertussen spelen we al zo lang dat we geen zenuwen meer hebben. Integendeel, het gaat zelfs steeds vlotter, want we spelen met nog meer goesting dan vroeger. Gewoon omdat we artistiek steeds meer ons ding kunnen doen. Straks gaan we nog iets eten en daarna kleden we ons om. Om kwart na acht is het met de vingers in de neus, maar geconcentreerd het podium op.”   

 

UNA PALOMA BLANCA

Voor het zover is, trekt het cabaretduo naar het Wapperplein. Toen beide broers nog in het ouderlijke huis in Essen woonden, namen ze elke woensdagnamiddag de trein naar Antwerpen. Bestemming: muziekwinkel Dilewyns, waar Raf en Mich hun allereerste platen kochten. De pittoreske platenboer Dilewyns is ondertussen verdwenen en vervangen door een minder persoonlijk filiaal van keten Free Record Shop, maar de nostalgie is bij de broers altijd gebleven.

“Het was eind jaren ‘70”, herinnert Raf zich. “En ze hadden hier goeie muziek. Mijn eerste plaat was Harvest van Neil Young. Dat weet ik nog goed, want ons vader vond dat die mens niet kon zingen. Wat eigenlijk ook zo is. Maar bon, het was toen wel een goeie plaat. (fijntjes) Het eerste nummer van onze Mich was echter heel wat minder, nietwaar Mich?” “Toch iets, ja”, lacht de jongste Walschaerts. “Mijn eerste plaat was de vertelling van Old Shatterhand, maar vooral ook Una Paloma Blanca van de George Baker Selection. Als je daar nu naar terugkijkt, is dat inderdaad behoorlijk fout. Maar ik was jonger dan Raf, dus dat is een verzachtende omstandigheid. Toch heb ik die platen nog altijd liggen. Dat heeft iets.” “Het was toen nog een hele onderneming om vanuit Essen met de trein tot in Antwerpen te geraken”, gaat Raf voort. “Die treinen reden wellicht nog niet zo frequent en ook de rit zal wel wat langer geduurd hebben. Eens in Antwerpen moesten we dan nog 350 frank neertellen voor een plaat. Dat was veel geld in die tijd. Meer dan twee stuks konden we ons meestal niet veroorloven.”

Enkele jaren later trok Raf op kot in Gent om er psychologie te studeren en werd de wekelijkse trip naar platenwinkel Dilewyns gaandeweg verleden tijd. Raf bleef na z’n studies in Gent wonen en broer Mich volgde. Ondertussen wonen beide heren al meer dan dertig jaar in de stad van Pierke Pierlala. “Ge zou dat niet altijd zeggen als ge ons hoort klappen”, zegt Mich iets Antwerpser dan bedoeld. “Maar we hebben dan ook nog veel contact met onze ouders, die nog steeds in Essen wonen. En we komen nog wel in Antwerpen, hoor.” Raf bevestigt: “Antwerpen is samen met Brussel en Gent de plaats waar je moet zijn als muzikant. “En als we willen shoppen met ons vader op de Meir ook, hé Raf.”, zegt Mich. “Ja, da’s waar”, antwoordt Raf. “Dan zijn we hier ook.”

 

KWELGEEST EN REUS

De Lange Wapper van beeldhouwer Albert Poels mag dan al neerbuigend neerkijken op z’n twee standbeelddronkaards. Wanneer Raf en Mich Walschaerts naast en onder de kwelgeest plaatsnemen, kan je bier maar beter inwisselen voor water. Plat, als het even kan. Alsof ze weer acht jaar zijn, klauteren ze gezwind het voetstuk op. “Waren mensen vroeger echt zo klein, Mich?”, vraagt Raf nog snel. “Ja, ik denk het wel”, antwoordt Mich droog, om twee tellen later de voorbij wandelende Nederlanders gehurkt, maar met een even angstaanjagende blik als die van Lange Wapper aan te kijken.

“Ons vader was een fiere Antwerpenaar uit Borgerhout,” doet zijn broer het relaas. “Hij vertelde ons graag verhalen over de stad en had een manier van vertellen die het allemaal best spannend maakte. Het gebeurde dan dat een verhaal maandenlang in onze hoofden bleef spoken. Het Steen en de geschiedenis van de Lange Wapper was zo’n goed voorbeeld: een burcht waar een echte reus in woonde met een griezelige kwelgeest die het de mensen moeilijk maakte… Ja, dat vonden wij als achtjarigen natuurlijk graaf. Zeker als ons vader ons nadien meenam naar de plaats waar al die verhalen zich zogezegd afspeelden. We maakten met de familie trouwens wel vaker wandelingen in het stadscentrum. Zo zijn we een keer naar de Poesjenellenkelder geweest. Ook heel tof.” “Stonden hier vroeger geen marteltuigen, Raf?”, vraagt Mich opeens. “Da’s ook zoiets wat een grote indruk op me gemaakt heeft. Die verhalen die je als kleine jongen te horen krijgt, blijven je toch voor altijd bij, hé.”

Twintig meter verder is het spitsuur op de kaaien. Nog een drietal uur en Kommil Foo voert voor de 150e maal Breken op. Maar van latente spanning of onderdrukte nervositeit bij de broers Walschaerts nog steeds geen spoor. Straks eerst nog eten. Daarna rustig omkleden. En om kwart na acht geconcentreerd, maar met de vingers in de neus het podium op. Licht uit. Spot aan.

 

TWINTIG FRANK VOOR KOMMIL FOO

Een snijdende noordenwind die zelfs de meest doorwinterde poolbeer terug in z’n hol zou jagen, houdt de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal in de greep. Slechts een verdwaalde Japanner met fototoestel waagt een oversteek over de kouwelijke Handschoenmarkt. Het is al anders geweest en dat hebben Raf en Mich Walschaerts geweten.

“In de jaren ‘80 waren er in Antwerpen beiaardconcerten.”, herinnert Raf zich. “Dat trok zonder overdrijven tienduizenden mensen aan. En voor ons was dat best interessant, want dan gingen wij optreden voor de deuren van de Kathedraal om wat centen bij te verdienen. Daar kon je geld mee bij elkaar krijgen, hoor. Het was de tijd van de twintigfrankstukken. De mensen smeten dat bijna letterlijk naar je hoofd. En in die tijd was dat toch een aardig bedrag. Als we geluk hadden, hadden we op het einde van ons optreden dan ook duizend frank bij elkaar gespeeld.” Mich bevestigt het verhaal. “Als een voorbijganger elke minuut twintig frank gaf, zat het goed. Dan kon je na je optreden al eens een goei pint gaan drinken.”
De cabaretbroers speelden de liedjes na van de platen die ze kochten bij Dilewyns. “Neil Young dus in mijn geval”, weet Raf. “Maar op een bepaald moment heeft ons vader me Budokan, het livealbum Bob Dylan, cadeau gegeven. Sindsdien is mijn liefde voor Dylan nooit meer overgegaan. En speelde ik zijn nummers voor de poorten van de Kathedraal.”

De eerste optredens van de broers Walschaerts als duo waren een feit. “Daarvoor speelden we wel al in een groepje, hoor”, herinnert Raf zich. “Ik was er al mee begonnen toen ik veertien was en rond mijn zeventiende is Mich erbij gekomen.” “Klopt”, knikt die. “Ik ben begonnen met een keer te komen kijken. Daarna was het luisteren en na een tijdje mocht ik eens meezingen.” “Hij kon meteen heel goed zingen”, weet Raf nog. “En hij kon viool spelen, iets wat ik toen absoluut niet kon. Eens in Gent, zijn we dan steeds meer als duo beginnen optreden. Maar de basis hebben we gelegd als straatmuzikanten voor de poorten van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen.”

 

GROTE JAN

De Muze aan de Melkmarkt is al sinds 1964 een onversneden caféklassieker. Dat weten ook de twee Walschaerts, die er als vijftienjarige kempische knapen hun eerste pinten kwamen drinken. “Het is nog hier nog niks veranderd”, zegt Raf wanneer hij zijn jas aan de kapstok hangt. “Misschien iets minder vettig dan vroeger”, verbetert Mich hem. “Inderdaad”, kijkt Raf nog eens rond. “Misschien was het toen niet zo jazzachtig als nu.”

De twee cabaretcoryfeeën nemen plaats aan de toog. Voor de ene een koffie, voor de andere een warme chocolademelk. Alsof ze doordeweekse klanten zijn, vertellen ze over vroeger. “De Muze is voor ons onlosmakelijk verbonden met onze bezoeken aan den Dilewyns”, zegt Mich. “Daar gingen we onze plaat van de week kopen om dan de Meir af te stappen en in De Muze heu, tja… (Raf pikt in) jezelf als vijftienjarige de grote Jan te voelen omdat je er een pint ging drinken. (hilariteit) Dat was meteen volwassen zijn, ja.” “En dat was ver van huis, dus dat was veilig”, gaat Mich voort. “Al moet ik toegeven dat we in die tijd ook wel pinten pakten in de Rex in Essen. Maar soit, in de Muze zaten we altijd op woensdagnamiddag. Dat had in die jaren toch wel een zekere aantrekkingkracht, hoor. De muziek die ze daar speelden van Ferre Grignard en zo. Dat was… speciaal.”

Of het straks weer speciaal wordt in de Arenberg, weten ze niet. Nog niet. “Dat voel je wel meteen als je het podium opstapt”, zegt Mich. “Wordt het een hilarische avond met veel uitschieters of wordt het eerder gezapig en rustig. In de eerste seconden van de voorstelling voel je meteen welke richting het zal uitgaan. Want geen enkele avond is hetzelfde, ook al speel je in dezelfde zaal als de avond voordien. Het publiek is anders, de reacties zijn anders, de hele sfeer is anders. Dat maakt het juist interessant. Alleen zo kun je een voorstelling driehonderd keer na elkaar spelen.”

 

JAN DECLEIR

Op het podium van de Arenberg staat alles klaar voor de broers Walschaerts. Piano met kaars en viool. En een klein luciferdoosje waar een volwassen man in moet passen. In totaal stonden de twee cabaretiers al meer dan honderd keer op de Antwerpse planken. Om die reden is de Arenberg een plaats van betekenis voor Kommil Foo. Dat zie je nog het meest wanneer de twee artiesten met even trage als eerbiedige passen de treden van de coulissen opwandelen.

“De eerste keer dat we in de Arenberg speelden, was begin jaren ’90 met het stuk J. Van Gips”, zegt Raf vanachter de piano. Mich knikt. “Toen waren we nog groen en jong.” “En speelden we nog zonder microfoons”, weet Raf. “Het is trouwens best vreemd als je voor de eerste keer in de Arenberg speelt, hoor. Voor ons is dat nog steeds de zaal waar Toon Hermans drie maanden stond en waar ons vader en moeder naartoe gingen. Het cabaret van vroeger stond altijd in de Arenberg. En dat is nu nog altijd zo, hé Mich.”

“Inderdaad”, zegt Mich. “Mijn eerste optreden was trouwens een van Herman Van Veen. Dat was ook een grote meneer.” “Over grote heren gesproken: ik ben nog uit de Arenberg gegooid door Jan Decleir”, herinnert Raf zich. “Volledig terecht overigens. We waren er met onze school voor een toneelstuk van Bertold Brecht en ik was zo het ettertje aan het uithangen dat Jan even stopte met spelen en een technieker naar me kwam om me buiten te zetten. Tja, ik was toen zestien en luidruchtig. Wel grappig dat ik er nu zelf sta en ook absoluut niet tegen luidruchtige types kan.”

Kommil Foo maakt om de drie jaar een nieuwe voorstelling. Dat lijkt lang, maar de twee broers maken er een zaak van om in elke zaal en cultureel centrum van Vlaanderen én Nederland te spelen. De Arenberg, voor het duo nog steeds een intieme en bijzonder speelbare zaal, staat hoog bovenaan de lijst. Maar eerlijk: de mooiste blijft de Leidse Schouwburg, met een bouwjaar van 1705 de oudste schouwburg van Nederland. “De Arenberg blijft voor ons wel een thuismatch”, zegt Mich. “En da’s eigenlijk heel raar, want als we in Gent spelen, hebben we juist hetzelfde gevoel. Dat zal altijd zo zijn, denk ik. We wonen nu al jaren in Gent, maar Antwerpen blijft voor ons een soort tweede thuis. En da’s best goed zo.”

Vlak voor ze gaan eten, bekijken Raf en Mich nog een laatste keer het podium. Daarna kleden ze zich om. Om kwart na acht lopen ze met de vingers in de neus, maar geconcentreerd het podium op. 

Publicatiedatum: 
woensdag 17 april 2013
Verschenen in: 
Gazet Van Antwerpen
Productie: