Kommil Foo: broederlijke schoften, broederlijke klasse

Door Peter Decroubele

Na zowat 30 jaar op het podium zijn de broers Raf en Mich Walschaerts iconen van de combinatie humor, comedy, theater en doorleefde liedjes. En in “Schoft” passen ze dat nog eens toe, hun eigen formule, hun beproefde recept, hun circus van vermaak en plezier. Een niet nader genoemde komiek, die ook in de zaal zat -en die wat mij betreft niet van de minsten is- noemde het een oefening in nederigheid. Ik volg hem. Wat Kommil Foo nu weer brengt, is van een onversneden klasse, met pijn en met plezier, met weerhaken en zonder weerga. Hier en daar een ruw kantje af, en toe prikken, nu en dan een angel.

Meer dan in vorige shows gaat het deze keer niet over de liefde pur sang. Maar over hoe broers zijn, hoe mannen zijn. Hoe mensen zijn. Maar ook over hoe engagement kan slepen en slijpen, over hoe je omgaat met een ander, over aftasten van grenzen van fatsoen en redelijkheid. Wat doe je als je oesters aan het eten bent en op kijkafstand zit iemand te bedelen? Waar eindigt de empathie en waar begint de zieltjeswasserij?

Meesters

Ik ben zelf mee verantwoordelijk voor een SABAM-Award voor beide heren. Die ze kregen voor hun solo theatervoorstellingen en niet zozeer voor hun naamhebbende vennootschap, zijnde Kommil Foo. Wat wijst op hun veelzijdigheid, hun breed palet, hun achtertuin die ze hebben en die vol onontgonnen parels ligt. In deze “Schoft” blijkt ook weer dat de heren meesters zijn in veel truukjes.

Al van de eerste seconden met Mich die voor het rode doek de zaal toesprak en binnen de drie seconden de hele Arenbergschouwburg mee had. Tot enkele laatkomers de spanning verstoorden, waar hij gretig op inging, om daarna gewoon opnieuw te beginnen. Punten gescoord al en toen moest het nog allemaal beginnen. Waarop al direct een climax volgde, meer zeg ik niet, ik jaag de mensen liever naar het theater. En van toen af volgde de mix die zo eigen is aan de twee: van verhaal, over pointe, via muzikale uithaal naar confronterend moment.

Dit programma houdt -weer eens- de spiegel voor, doet een toeschouwer nadenken en wringen met zijn geweten, om dan los te laten in een (bulder)lach. Opvallend toch, als de heren een liedje brengen, is dat zonder uitzondering een hoogtepunt.

Twee geweldige muzikanten zijn het (ik wist niet eens dat ze allebei zo een piano beheersen), twee zangers met een eigen stijl ook: de ene hoog, ijl en bijwijlen krassend in je ziel, de andere rechttoe rechtaan, met een snedige scherpte en een dreigende grom. En als de stemmen dan “blenden”, tja, da’s schoonheid. Kommil Foo kan zo anderhalf uur liedjes zingen, zonder meer. Theaters vol zouden daarvoor alleen al klappen, maar zij gooien er nog wat extra’s bij: verhalen en clownerie.

Clowns 

Dat laatste blijkt in de genen van Mich te zitten, de man die maar een wenkbrauw moet verroeren, of er wordt gelachen. Broer Raf countert dan mooi met zijn torso, zijn mimiek, zijn zijn. En vergis je niet, een clown leeft maar bij gratie van een andere clown. Beter toegepast dan hier is het niet. Hoe de twee elkaar continu onderuithalen, de hele tijd van status wisselen, de hele tijd elkaar het licht in de ogen gunnen en geven. En weer afpakken. Hoogtepunt is een verhaal over bejaarde nonkels en tantes, waarin een clash van clownerie volgt. Hilariteit alom, meesterlijk van timing, met een “tilt” op het einde.

“Schoft” is niet één verhaal met een duidelijke opdeling en een “granda finale”, het zijn meer sneetjes en verhalen naast elkaar. Over pijn en ongemak, over eigen falen en over spijt van wat is geweest. Nostalgie, maar ook realiteit. Mijn compagnonne noemde de scène waarin Raf aan de piano tokkelt en Mich ergens hoog in het decor een hele levensloop uitbeeldt “één van de meest beklijvende momenten die ze ooit zag op het theater”. Wie ben ik om mijn naasten in twijfel te trekken? Trouwens, bloemen voor de decorbouwer. Ingenieus gedaan, mooi en beredeneerd, noem het “ruw grijs met gaten en kieren”.

Sparring partners

De heren staan frontaal voor de zaal, geven zich bloot en gooien brokken. Die het publiek hongerig proeft, likt en oppeuzelt. Maar vooral: als ze beginnen te zingen, smelt het gips van de muren. En als ze hun punt maken, wordt het in de zaal plots een uitroepteken. 

Is dit nu het beste wat Kommil Foo ooit heeft gemaakt? Ik zou het niet weten en ik vind het niet eens van belang. Ze kiezen iets minder voor het pure verhaal, iets meer voor de nijpende prik, zonder te vervallen in gezwaai met het vingertje (zoals ze bij onze noorderburen nog wel eens durven doen). Niet te veel moraal, maar “toucheren” en “teasen” en tussenin ten lach spelen. De ene pointe is beter dan de andere, maar het samenspel maakt dat goed.

“Schoft” (vriendelijker bedoeld dan het woord klinkt) wijst er weer op dat dat Kommil Foo een idioom op zich is, een duo op een bedje van, een mengvorm van alles dat mensen doet lachen. Noteer: de regie van Ineke Nijssen en Walter Janssens die als -ik citeer- “sparring partners” veel hebben weggegooid, veel hebben bijgestuurd, de trein in de sporen hebben doen blijven. Tot eer en en glorie van de schoften die in anderhalf uur tijd hun ziel en hun lijf en leden bloot leggen, van zang tot grollende grap of confronterende stilte.

Noem het klassiek, ver weg van de hippere stand-upcomedy, maar ’t is van een degelijkheid waar menig oldtimer jaloers kan op zijn. Kommil Foo heeft bij ons humor mee op de kaart gezet, da’s één, maar twee is vooral dat ze het nog altijd doen op een niveau waar veel aspiranten nooit zullen toe komen. Gaan en bekijken. En neem een hoed mee. Om bij momenten af te doen. En ermee te zwaaien als het te warm wordt door de stralen op de spiegel. Schoften, jullie allemaal.

Publicatiedatum: 
vrijdag 26 februari 2016
Verschenen in: 
deredactie.be
Productie: